Lopend vuur - over de transitie naar nieuwe energiebronnen, achtergronden
In 1895 reed voor het eerst een auto in Nederland rond. In 1900 waren er zo'n tweehonderd personenautos, in 1920 tienduizend, 1940 honderdduizend, maar in 1945 was dat aantal weer ingezakt tot dertigduizend.
Van de zeldzame autobezitters hadden er veel hun voertuig moeten inleveren. Diegenen die hun bestofte auto wel uit het stro haalden konden er weinig mee, want er was vrijwel geen benzine voor te krijgen.
Na de oorlog kwam er weer brandstof beschikbaar, gingen de auto's weer rijden, en begon het wagenpark geleidelijk te groeien, vanaf 1960 ging dat stormachtig.
Daar was olie voor nodig, behoorlijk veel olie waar benzine van gemaakt kon worden. De jaknikkers die bij Schoonebeek stonden, haalden daarvoor niet genoeg uit de grond. Er moest dus olie worden aangevoerd vanuit het buitenland, zoals Venezuela en het Midden-Oosten. Op CuraƧao en bij de haven van Rotterdam ontstond zo een bloeiende olie-industrie.
Groei van het aantal personenauto's in Nederland
Naar fossiele energie